|
Ik vroeg God om mij te doen groeien
in liefde, geloof door ‘t Goddelijk licht,
in kennis van Zijn zaligheid te bloeien
in ‘t ijvrig zoeken van Zijn aangezicht.
Hij was het die mij aldus leerde smeken
en ik vertrouw dat Hij verhoren zal;
maar bijna was in wanhoop ik bezweken,
Hij leidde mij door een diep dal.
Mijn bidden zou, zo hoopte ik, in Zijn gena,
worden verhoord, mijn zonden uitgeblust.
Almachtig als Hij is, Zijn liefde zou weldra
mij wiegen in Zijn Goddelijke rust.
In plaats daarvan liet Hij mij zien
het kwaad, verborgen in mijn hart.
De boosheid van de hel heeft toen,
mijn ziel van alle kant benard.
Ja meer, doorkruisen deed de Heer',
mijn schone plannen, reeds gesmeed;
verdorde mij, Hij wierp me neer.
Verzwaarde Hij aldus mijn leed?
‘Waarom toch Heer', riep ik verslagen:
‘Vervolgt Gij dan Uw worm tot in de dood?'
‘Dit is Mijn antwoord op je vragen,'
sprak God in ‘t diepste van mijn nood:
‘Innerlijk beproefd, van hulp verstoken
ben je van trots en eigenwaan bevrijd.
Ik heb je aardse vreugdeplannen dwars doorbroken,
opdat je gelooft en dat aan Mij belijdt.'
John Newton (1725-1807)
|